Opkomst bloei en ondergang

In 1830 was de eerste stoommachine in gebruik genomen bij Hofkes in Almelo en in 1833 werd de eerste weefschool in Goor gesticht. Rond 1970 viel het doek definitief voor de textiel in ‘het land van katoen en heide’ en kwam een einde aan de broodwinning van enkele generaties Twentenaren.

De textielindustrie in Twente bestaat niet meer. Bijna alle grote namen (Van Heek, Menko, Blijdenstein, Tilanus, ter Kuile, Gelderman, Jannink, Spanjaard etc.) zijn verdwenen. Een enkel bedrijf wist op tijd de bakens te verzetten, zoals Ten Cate dat zich ging toeleggen op het produceren van allerlei nieuwe producten als kogelwerende vesten, surfplanken en kunstgras.

Huisnijverheid

In de achttiende eeuw ontstond het beroep linnenreder (of fabrikeur). Het waren meest doopsgezinde kooplieden die garens inkochten, deze uitzetten bij huiswevers en later het geweven doek innamen tegen betaling van het weefloon. Op den duur werden zij de organisatoren van een ‘fabrycq’, een term die aanvankelijk het hele proces van aanvoer van grondstoffen, vervaardiging, nabewerking en handel aanduidde. Later ontstonden echte fabrieken, waar de huiswevers bij elkaar gebracht werden om te produceren. Herman van Lochem en Wolter ten Cate zijn fabrikeurs die in de achttiende eeuw linnen, damast, bombazijn en andere stoffen produceerden. De doopsgezinde families maakten begin negentiende eeuw plaats voor nieuwkomers als Hendrik Jan van Heek.

Bloei

Door de Belgische opstand zag de Nederlandse Handel Maatschappij zich genoodzaakt de op de export gerichte Vlaamse calicotproductie elders voort te zetten. Willem de Clercq, secretaris-directeur van de NHM, liet zijn oog op Twente vallen, waar immers voldoende wevers voorhanden waren. Door het grote arbeidspotentieel konden de lonen laag blijven. De Engelsman Thomas Ainsworth richtte weefscholen op waar de huiswevers geleerd werd te werken met de snelspoel, waardoor de productiviteit verdrievoudigde. De stoommachine deed zijn intrede, de brand van Enschede leidde tot nieuwbouw van voor die tijd moderne fabrieken, spoorwegen werden aangelegd. De koloniale markten in Oost-Azië en Afrika vormden een enorm afzetgebied voor katoenen manufacturen. Deze en andere factoren zorgden voor een enorme bloei van ‘de textiel’ in Twente, die zo’n driekwart eeuw zou standhouden, hoewel er ook mindere periodes waren, b.v. tijdens katoenschaarste, Eerste Wereldoorlog of crisisjaren.

Einde

De eerste jaren na de oorlog was er een grote vraag naar textielproducten. In 1958 vierde Van Heek & Co nog op uitbundige wijze gedurende drie dagen en nachten met duizenden gasten het eeuwfeest. Maar wie er oog voor had zag toen al het einde naderen. De export naar Indonesië viel weg, er viel niet meer te concurreren met lage lonen landen en heel specifiek voor Twente gold dat het familisme – de textielondernemingen waren vrijwel zonder uitzondering gedurende vele decennia in handen geweest van zo’n twintigtal families – remmend werkte op modernisering en noodzakelijke investeringen. Hoe dan ook, uiteindelijk zou de textiel in Twente ook zonder dit nadeel door de concurrentie toch het onderspit hebben moeten delven.